Niet-regressieve intuïtie

Laten we eens terugkeren naar iemand die we al kennen:
Julia zit op het moment op de universiteit. Ze kon op haar vierde al vloeiend lezen. Wat is haar gemiddelde tentamencijfer?
18. Intuïtieve voorspellingen corrigeren 195
Veel mensen zullen in antwoord op deze vraag snel een cijfer noemen, en waarschijnlijk een hoog cijfer, rond de 8,5 of 9. Hoe komen ze op deze waarde? Verschillende bewerkingen van Systeem r spelen hier een kantoor huren amsterdam rol. • Er wordt een causaal verband tussen de aanwijzingen (Julia’s leesvermogens) en het doel van de voorspelling (haar cijfergemiddelde) gezocht. Dit verband kan indirect zijn. In dit geval zijn vroeg kunnen lezen en een hoog gemiddeld tentamencijfer beide indicatoren van academisch talent. Enige koppeling is noodzakelijk. Uw Systeem 2 zou het winnen van een wedstrijd vliegvissen of gewichtheffen op de middelbare school kantoor huren schiphol waarschijnlijk als irrelevant bestempelen. Het proces is in wezen dichotomisch. We zijn goed in staat irrelevante of foute informatie te verwerpen, maar aanpassing aan zwakke plekken in de aanwijzingen is niet iets waar Systeem r goed in is. Intuïtieve voorspellingen zijn dan ook bijna volledig immuun voor de daadwerkelijk voorspellende waarde van de aanwijzingen. Als er een verband wordt gevonden, zoals met het vroeg ontwikkelde kantoor huren leeuwarden leesvermogen van Julia, wordt WYSIATI toegepast: het associatieve geheugen construeert snel en automatisch het best mogelijke verhaal op basis van de beschikbare informatie. • Vervolgens worden de aanwijzingen beoordeeld in relatie tot een relevante norm. Hoe ontwikkeld is een kind dat met vier jaar al goed kan lezen? Welke rangpositie of percentielscore hoort bij deze prestatie? De groep waarmee het kind wordt vergeleken (de referentiegroep), wordt niet volledig gespecificeerd, maar dit is ook de regel in normaal taalgebruik: als iemand die afstudeert als ‘redelijk slim’ wordt beschreven, hoef je nooit te vragen: ‘Als je redelijk slim zegt, aan welke referentiegroep denk je dan?’ • De volgende stap omvat substitutie en afstemming van intensiteit. De evaluatie van de zwakke aanwijzingen voor ontwikkelde cognitieve vermogens in de kindertijd wordt gebruikt als antwoord op de vraag over haar cijfergemiddelde. Julia krijgt voor haar cijfergemiddelde en leesvermogens als kleuter dezelfde percentielscore toegekend. • De vraag handelde kantoor huren groningen over cijfergemiddelden, wat betekent dat afstemming van intensiteit moet worden toegepast: van een algemene indruk van academische vermogens naar een cijfergemiddelde dat past bij de aanwijzingen voor haar talent. Deze laatste stap is een vertaling, van Julia’s relatieve academische vermogens naar een bijbehorend cijfergemiddelde.